Herding
Het doel van de drijvende hond is het werk van de mens over te nemen, bewerkstelligend wat nodig is, zonder schade, onnodige stress, of gevaar voor het vee. Het juiste referentie kader voor keurmeesters en handlers is het werk van de hond dusdanig te evalueren als „het beste voor het vee“
De ideale herdershond is de hond die kan drijven op de meest efficiente manier horend bij die specifieke kudde en werkend in harmonie met de handler. Om stress en gewichtsverlies te minimaliseren is de beste snelheid voor de kudde in stap of jog. Daarom zal de ideale hond zijn snelheid aanpassen aan de kudde en hen niet onnodig opjagen. Het is evident dat een kudde soms zal rennen wanneer zij merken dat zij zijn losgelaten in een arena. De hond dient zich ervoor in te zetten om controle te verkrijgen en de kudde bijelkaar te krijgen. Waneer controle is verkregen, dient de hond zich terug te trekken en de kudde de kans geven een langzamer tempo aan te nemen. Honden die aanvallen, najagen een stampij maken en de kudde splitsen, dienen verontschuldigd te worden.
De ideale hond is gevoelig voor de beweging van de kudde, maar is ontvankelijk voor de commando’s gegeven door de handler. Hij dient natuurlijke bezorgdheid te hebben om de kudde bijelkaar te houden, en zal daarom altijd contact houden met de kudde. Contact met de kudde houdt niet noodzakelijkerwijs in „grijpen“ De hond zal een kalm zelfvertrouwen ten toon stellen, en het vermogen een mate van kracht ten toon te spreiden die geschikt is voor iedere situatie, zoals het happen naar koppen of hielen, waneer noodzakelijk
Er zijn 3 onderdelen:
Koeien
De ideale koeien hond werkt dicht op de koeien, maakt gebruik van weven, correcte positie, kracht en beet om het vee bijelkaar te houden en in beweging te krijgen. Veel kracht ( niet te verstaan onnodig bijten) is meestal nodig om koeien te stoppen en te bewegen. Koeien mogen niet rennen door het parcours, maar ook niet dwalen zonder dat de hond contact heeft door gebrek aan kracht.
Schapen
De ideale schapen hond drijft de kudde voorzichtig en met zo min mogelijk fysiek contact. De mate van vluchtigheid van de schapen bepaalt hoever de hond van de kudde af werkt. Hoe vluchtiger de schapen, hoe verder weg de hond er vanaf werkt, hoe weerbarstiger de schapen, hoe dichter de hond er bij werkt. Bij weerbarstige schapen kan een greep in de hiel noodzakelijk zijn. Als een hond te maken krijgt met vechtende schapen, die niet uit de weg gaan terwijl de hond toch stand houd, kan een greep in de kop noodzakelijk zijn. In de meeste gevallen zijn het bijten van het lijf of het happen van wol niet noodzakelijk en kan in het resulteren in het afbreken van de wedstrijd.
Eenden
De ideale eenden drijvende hond werkt ver van de eenden en beweegt langzaam en glad. Bijten, omverlopen of stappen op de eend is onnodig en reden voor het afbreken van de wedstrijd. Het drukken met de neus is acceptabel als de eend niet wil wijken voor de hond.
Bron: www.dwas.nl




